Voorleesverhaal
Annie M.G. Schmidt
Jip & Janneke
De zomer is dood
© Querido, Amsterdam 1953
Ik ga naar de
zandbak, roept Janneke. Nee, zegt Jannekes moeder. Niet naar de
zandbak. Het heeft geregend. Het zand is nat. En het wordt te
koud. Het is herfst. Dan gaan we lekker in het plantsoentje
spelen, zegt Jip. Daar gaan Jip en en Janneke naar het
plantsoentje. Ze spelen met de mooiste gouden blaren die daar
liggen. En ze gaan op een bankje zitten, naast twee oude heren.
Tja, ja zegt de ene heer, de zomer is dood. Daar kijkt Jip van
op. En als hij met Janneke naar huis loopt, zegt hij: zou dat
waar zijn? Dat van de zomer? Ik weet het niet, zegt Janneke.
Jip gaat het aan zijn vader vragen. Vader, zegt hij, de zomer is
dood, zeggen ze. Vader kijkt Jip eens aan. En Jip ziet er angstig
uit. Hij is er echt van geschrokken.
Wees maar niet bang hoor, zegt vader. Dat zeggen de mensen altijd
in de herfst. Ze bedoelen alleen dat de zomer voorbij is en dat
de winter komt. Maar die meneer zei echt 'dood', zegt Jip. Maar
zegt vader, het volgende jaar komt de zomer terug. Dan kan ze
toch niet echt dood zijn. Nee, zegt Jip, dat is waar. Misschien
is de zomer dan alleen flauw gevallen? Dat zal het zijn, zegt
vader. Laten we het daar maar op houden.
Ga naar: