Voorleesverhaal
Annie M.G. Schmidt
Jip & Janneke
Blaren in de tuin
© Querido, Amsterdam 1953
Er liggen zoveel
blaren in de tuin, zegt Jip's vader. Zoveel blaren. Wie wil ze
eens voor me opruimen? Ik, zegt Jip. Ik, zegt Janneke.
In het schuurtje is de hark, zegt Jips vader. En de kruiwagen
vind je er ook wel. Zorg dat het fijn in orde komt. En dan gaan
Jip en Janneke aan het werk. Ze vegen de blaren op een hoop. En
het zijn er veel. Want het heeft gewaaid. En het is herfst. Kijk
eens, zegt Janneke. Wat mooi! En ze laat een blad zien. Een heel
mooi kastanjeblad. Helemaal goudgeel. Mooi he?
Ja, zegt Jip, maar dit is nog mooier. En hij laat een ander blad
zien. Dat is rood. Een rood blad van de wingerd. Die moet je niet
weggooien, hoor, zegt Janneke. Bewaar ze maar. En dit, kijk eens
dit, zegt Jip. Ze vergeten helemaal dat ze de blaren moeten
opruimen. Ze zoeken allemaal mooie blaren uit. Rode en gele en
bruine. Janneke maakt er een kransje van. Dat is prachtig.
Voor mij ook een,
zegt Jip. En ze maakt er voor hem ook een. Nou ben jij de
koningin, zegt Jip. En ik ben de koning. Ze hebben nu allebei een
gouden kroontje. Zo mooi. En Janneke haalt moeders plastic
regenjas en doet die aan. En Jip haalt vaders jekker en doet die
aan.
Nu is het veel echter. Koning en Koningin. En de schuur is het
paleis. En de kruiwagen is de gouden koets. En Takkie is het
prinsje. Hij mag ook mee in de gouden koets. Maar als vader
's-middags zegt: En zijn de blaren opgeruimd? dan zegt Jip: O
nee. O nee dat is waar ook.
Ga naar: