Voorleesverhaal Miep Diekmann

Hannes & Kaatje
Kindercarnaval

Nog nooit zijn Kaatje en Hannes zo lang achter elkaar stil geweest. Ze zitten te denken, bij Kaatje thuis. Zo hard te denken dat er denkbarsten in hun voorhoofd komen. Want... over een paar dagen is het kindercarnaval op hun school. Alle kinderen komen in een verkleedpak op school. Maar Hannes en Kaatje weten nog steeds niet wat voor een verkleedpak ze willen dragen.Kaatje wil de gekste van alle kinderen zijn. En Hannes wil de leukste van alle kinderen zijn.
Ieder uur verzinnen ze weer iets anders wat ze willen zijn. Hun moeders worden er compleet gek van - gek met rooie vlekjes. "Zeurpieten!" mopperen ze. "Jullie kunnen niet van alles tegelijk zijn." En daarna heeft de moeder van Kaatje hen allebei op een stoel neergepoot en ze heeft gezegd: "Zo, en nu alle twee denken, jullie. Hard denken."
"ik ben klaar gedacht," roept Kaatje plotseling "Ik wou een vogel zijn... piep-piep-piep. Nee, toch maar niet. Ik wil een brandweerman... oewa-oewa-oewa. Nee, ik weet wat. Ik word een helikopter. Lekker van brrrm-brrrm."
"O ja?" vraagt haar moeder. "Weet je wat jij moet worden? Een ballon. Dan laat ik je lekker los. Lastig kind!"
"Nou, hoor," antwoord Kaatje boos, "dan vlieg ik gauw naar een andere moeder toe."
"Je doet maar!" zegt mamma-Kaatje. "Naar spook! Maar zoek dan wel een moeder uit die al die moeilijke verkleedpakken voor je kan maken."
"Phu, niks aan!" sputtert Kaatje.
Zachtjes zegt Hannes: "Dat is ontzettend moeilijk om een verkleedpak te maken. Mijn moeder kan het niet eens. Dat moet jouw moeder voor mij doen. Enne... we moeten niet iets moeilijks verzinnen. Daarom."
Mamma-Kaatje aait hem over zijn krullen en zegt: "Een liefje ben je, hoor Hannes." Daar wordt Kaatje nog bozer van. Kwaad laat ze zich op de grond zakken en bonkt met haar hielen op de vloer.
"Hannes is geen liefje," gilt ze. "Hannes is een stomme... stomme... hij weet niet eens wat hij wil verkleden."
Hannes heeft geen zin in ruzie."Ik weet het best wel," zegt hij langzaam. "Ik wil een man van een circus zijn. Met een grote snor, en een streepjestrui, en dikke spierballen.Ik droeg een dikke ketting van ijzer, helemaal strak om me heen. En de mensen denken dat ik daar niet uit kan kruipen. Maar ik doe een kunst... en hoepla, dan ben ik los."
Mamma-Kaatje klapt in haar handen.
"Hoera voor Hannes!" roept ze. "Hannes, de boeienkoning. Zo heet dat. Jij snapt het. Voor een kindercarnaval moet je leuke, gewone dingen aantrekken. Geen dure dingen. Ik ga een snor op je gezicht tekenen. In je mouwen en in je kniekousen stop ik dikke proppen watten.Dat zijn je spierballen. En een dikke ketting heb ik ook nog wel. Heb je zelf een streepjestrui?" Hannes knikt. Hartstikke fijn dat hij nu echt iets weet, en dat het mag.
Kaatje sist vinnig: "Tsss, Hannes in een ijzeren ketting... en als je dan een plas moest? Kan je broekrits niet eens open."
Maar Hannes hoort het niet meer, hij is al naar huis gehold om zijn streepjestrui te halen.Als hij terugkomt en Kaatje de kamer
binnen reest, geeft hij een krijs. Daar staat een spook. Een wit wapper-spook.
"Zo Hannes," bromt een spookstem. "Ik ben een bangmaakspook. Hoei-hoei-hoei!"
Ineens begrijpt Hannes het: in een lang laken, met enge strepen erop en zwarte ogen, zit Kaatje. Binnen in het laken knipt ze een zaklantaarn aan en schijnt ermee.
"Gommie," zegt Hannes beduurd. "Je bent nog mooier dan ik, Kaatje. Hoe verzon je het van dat spook?"
Het spook bromt: "Dat zei mamma toch zeker tegen me? Naar spook."


Ga naar:

KeuzeopdrachtenReactiepagina